
Wanneer Surinaamse beleidsmakers op buitenlandse reizen zijn – of dat nu naar de VN n New York, de EU in Brussel of klimaattops (COP) is – verandert hun toon vaak drastisch. Er ontstaat een "internationaal imago" dat schril afsteekt tegen de rauwe realiteit van het werkveld in Suriname zelf. Dit fenomeen wordt vaak omschreven als "window dressing" (het mooier maken van de etalage terwijl de winkel van binnen leeg is).
Economen in Suriname, waaronder de Vereniging van Economisten in Suriname (VES), kijken met een mengeling van erkenning en diepe bezorgdheid naar het internationale optreden van de leiders. Terwijl de politieke top in het buitenland vaak "shinet", waarschuwen economen dat dit imago op drijfzand is gebouwd als de basis thuis niet versterkt wordt.
De meest opvallende gebieden waar de uitspraken in het buitenland botsen met de praktijk thuis zijn op het gebied van milieu en klimaat, waarbij Suriname wordt gepresenteerd als "The Greenest Country on Earth". Op het wereldpodium presenteert Suriname zich trots als het land met de hoogste bosbedekking en een voorvechter van milieubescherming. Er wordt gevraagd om "carbon credits" en klimaatcompensatie.
Echter, in het binnenland gaat de ongecontroleerde goudwinning door, waarbij kwikvervuiling de rivieren vergiftigt. De handhaving door de ordening goudsector (OGS) is vaak zwak of wordt gehinderd door politieke belangen.
Betreft good governance en corruptiebestrijding wordt tijdens ontmoetingen met het IMF of de Wereldbank beloofd dat beleidsmakers transparantie nastreven, instituten versterken en dat "fraudeurs de bak in gaan". Thuis worden cruciale posten bij staatsbedrijven nog steeds ingevuld op basis van partijloyaliteit ("friends and family") in plaats van expertise. Grote corruptiedossiers duren jaren of "verdwijnen" in de ambtelijke molen.
Op het gebied van economische hervormingen wordt gezegd dat "Suriname is open for business" en dat de economie is gestabiliseerd. Er wordt gelobbyd voor buitenlandse investeringen. Lokale ondernemers vechten tegen torenhoge inflatie, wisselkoersschommelingen en een bureaucratie die het bijna onmogelijk maakt om efficiënt zaken te doen.
Uit onderzoek blijkt dat de redenen waarom regeringsleiders dit doen liggen in financiële noodzaak, diplomatiek aanzien, maar ook afleiding. Om leningen (IMF) of schenkingen te krijgen, móét men de taal van de donorlanden spreken. Men zegt wat de internationale gemeenschap wil horen. Op reis willen leiders niet bekendstaan als de hoofden van een falend systeem, maar als visionaire hervormers.
Reizen bieden een podium waar men niet direct geconfronteerd wordt door de kritische Surinaamse pers of de burger die geen medicijnen kan vinden in de apotheek.
Dit gedrag heeft helaas gevolgen en kan gevaarlijk zijn. Wanneer een minister in het buitenland tekent voor ambitieuze doelen, voelt de ambtenaar of de professional op het werkveld zich vaak verraden. Er worden verplichtingen aangegaan waarvoor de middelen (geld, menskracht, apparatuur) op de werkvloer simpelweg niet aanwezig zijn. Het resultaat is dan ook een diep wantrouwen.
De burger ziet de vicepresident, president of minister op een rode loper in het buitenland praten over "rechtvaardigheid", terwijl diezelfde burger thuis ziet dat de rechtspraak traag is en de veiligheid op straat afneemt. Beleidsmakers exporteren een ideaal beeld naar het buitenland, terwijl ze thuis een crisis managen. Tevens, als de internationale gemeenschap (en investeerders in bijvoorbeeld carbon credits) ontdekken dat de cijfers op papier niet overeenkomen met de beelden op de grond, loopt Suriname het risico zijn geloofwaardigheid te verliezen, met als gevolg geen groen geld meer uit het buitenland, terwijl de milieuschade onherstelbaar wordt.





