
De mennonieten die sinds 2022 actief waren in het Masoniagebied, hadden geen verblijfs- en werkvergunning aangevraagd. Dat bleek vandaag tijdens de uitspraak in de kort gedingzaak dat Suriname Green Energy Agriculture NV tegen de Staat Suriname had aangespannen. Persrechter Marjory Sanches gaf tekst en uitleg over de zaak. Het bedrijf wilde via een kort geding de mogelijke uitzetting van de mennonieten voorkomen, maar de vordering werd afgewezen.
Suriname Green Energy Agriculture NV was verantwoordelijk voor de komst van zeker vijftig mennonietengezinnen naar Suriname. De regering-Santokhi had toestemming gegeven om de families voor drie jaar naar Suriname te laten komen voor landbouwdoeleinden. Zij moesten echter wel voldoen aan de geldende regels en procedures voor het verkrijgen van verblijfs- en werkvergunningen.
Dat gebeurde niet. Suriname Green Energy Agriculture NV kreeg via het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV), onder leiding van de toenmalige minister Prahlad Sewdien, ruim 113.000 hectare landbouwgrond toegewezen. Het bedrijf moest jaarlijks tien procent van de grond in cultuur brengen. Vervolgens bracht de onderneming de mennonieten naar Suriname.
De mennonieten kwamen het land binnen met een geldig visum voor een verblijf van negentig dagen. “Die termijn is allang verstreken”, zei persrechter Sanches. “Het bleek dat het bedrijf nooit een verblijfs- of werkvergunning voor de mennonieten had aangevraagd. Er was wel een aanvraag voor kort verblijf ingediend, maar die was afgewezen omdat niet aan alle voorwaarden was voldaan.”
De mennonieten in het Masoniagebied werden op 26 oktober 2026 uit het gebied ontruimd en ondergebracht in Kraka, in afwachting van de verdere afhandeling van de zaak. “De Staat gaf tijdens de zitting aan dat er in principe geen concreet voornemen was om de buitenlandse families het land uit te zetten. Ook de door het bedrijf genoemde datum van uitzetting klopte niet”, aldus Sanches.
De Staat voerde verder aan dat Suriname Green Energy Agriculture NV niet bevoegd was om namens de mennonieten een rechtszaak aan te spannen. Volgens de Staat konden de mennonieten dat zelf doen. De kantonrechter verwierp dit standpunt en oordeelde dat de NV wel degelijk een belang had bij de zaak, omdat zij investeringen in het gebied had gedaan.
Suriname Green Energy Agriculture NV stapte naar de rechter uit vrees dat haar werknemers zouden worden uitgezet. Volgens de onderneming had zij in overeenstemming met de Staat grote investeringen gedaan. Het bedrijf beschouwde de uitzetting als een schending van de gemaakte afspraken. “De NV vond de maatregelen, waaronder de uitzetting, ook te zwaar. Volgens het bedrijf zou de Staat geen nadeel ondervinden als mensen geen verblijfsvergunning hebben”, vertelde de persrechter.
Volgens Sanches wees de kantonrechter erop dat de Staat inderdaad toestemming had gegeven om de mennonieten naar Suriname te laten komen, maar onder de voorwaarde dat zij zich aan de geldende regels en procedures zouden houden. “Dat is niet gebeurd.”
De rechter benadrukte dat ook het bedrijf zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen door verblijfs- en werkvergunningen voor de mennonieten aan te vragen. Naast het economische belang van de NV heeft de Staat er belang bij dat de wetten op zijn grondgebied worden nageleefd.
Tot slot stelde de rechter dat de Staat, als die overgaat tot uitzetting, de daarvoor geldende regels en procedures in acht moet nemen. “Tot nu toe is volgens de rechter niet gebleken dat de Staat dat niet doet”, aldus persrechter Sanches.
De vordering werd afgewezen. De verliezende partij moet de proceskosten van SRD 13.500 betalen.





