
De stelling dat een overgangsregeling uit 2022 het “verrassings”-argument van houtexporteurs ondergraaft, klinkt juridisch scherp, maar is bestuurlijk onvolledig. Zij negeert twee wezenlijke factoren: de actieve rol van de Staat zelf in het voortzetten van de exportpraktijk én het publieke belang dat met deze exporten gemoeid is.
Dat exporteurs in augustus 2022 zijn geïnformeerd over het aanscherpen van regels, staat vast. Even vast staat echter dat die aangekondigde overgangsregeling nooit is geëffectueerd. Na afloop van de zes maanden bleef de overheid doen wat zij daarvoor ook deed: certificaten afgeven, export toestaan en toezicht faciliteren. In het bestuursrecht telt niet alleen wat wordt aangekondigd, maar vooral wat structureel wordt uitgevoerd.
Een overgangsregeling die niet wordt gehandhaafd, verliest haar normatieve werking. Wanneer de overheid jarenlang handelt alsof die regeling niet bestaat, wekt zij zelf het vertrouwen dat de bestaande praktijk — al dan niet tijdelijk — wordt gedoogd. Dat vertrouwen ontstaat niet door ondernemers “tegen beter weten in”, maar door consistent overheidshandelen.
Gedogen is geen neutraliteit
Het argument dat onrechtmatig overheidsoptreden nooit vertrouwen kan scheppen, is te absoluut. Structureel gedogen, gecombineerd met actieve uitvoering, is zelf een bestuursdaad. Certificering, inspecties en diplomatiek overleg zijn geen passieve handelingen. Zij vormen onderdeel van een bestuurlijke werkelijkheid waarin ondernemers investeringsbeslissingen nemen.
En die investeringen zijn aanzienlijk. Kap, verwerking, opslag, transport en contracten voor de Indiase markt worden niet van de ene op de andere dag opgezet. Zij zijn gebaseerd op bestaande exportstromen én op het feit dat de Staat via het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) jarenlang actief betrokken bleef bij de afhandeling van die exporten.
De gemiste regierol van de Staat
Wat in de huidige discussie onderbelicht blijft, is dat LVV al jaren bezig is met het laten registreren van aanvullende Surinaamse houtsoorten bij de National Plant Protection Organization of India. Dat is een complex technisch en diplomatiek proces dat uitsluitend door de Staat kan worden gevoerd. Juist dát had voortvarend en tijdig moeten gebeuren.
Het is bestuurlijk moeilijk verdedigbaar om enerzijds exporten jarenlang toe te staan terwijl registratieprocedures lopen, en anderzijds abrupt de kraan dicht te draaien zonder afronding of afwikkelkader. Dat is geen strenge handhaving, maar een gebrek aan regie.
Staatsinkomsten zijn geen voetnoot
Daarbij komt een aspect dat in juridische betogen vaak wordt genegeerd: exportinkomsten zijn ook staatsinkomsten. Houtexport levert deviezen op, draagt bij aan werkgelegenheid en genereert middelen die uiteindelijk ten goede komen aan het volk. Dat betekent niet dat regels mogen worden genegeerd, maar wél dat de Staat bij handhaving ook het algemeen belang moet betrekken.
Behoorlijk bestuur vereist een belangenafweging waarin niet alleen normnaleving, maar ook economische continuïteit en publieke inkomsten worden meegewogen. Dat is geen toegeven aan “kapitaal”, maar verantwoordelijkheid nemen voor maatschappelijke gevolgen.
De rol van de rechter
De rechter heeft in dit dossier geen beleid gemaakt en geen internationale normen opzijgezet. Hij heeft erkend dat de Staat bevoegd is om de houtsector te reguleren, maar geoordeeld dat die bevoegdheid zorgvuldig moet worden uitgeoefend. Het vonnis verplichtte de Staat uitsluitend om eenmalig schade te beperken voor reeds uitgevoerde en lopende ladingen — juist omdat de Staat zelf jarenlang anders had gehandeld.
Dat is geen legalisering van een foutieve praktijk, maar een correctie op een abrupte uitvoeringswijziging zonder overgang of afwikkeling.
Waar het debat werkelijk over moet gaan
De kernvraag is niet of regels mogen worden gehandhaafd. Die discussie is schijn. De echte vragen zijn:
• waarom de overgangsregeling uit 2022 nooit is uitgevoerd;
• waarom registratie in India jaren heeft geduurd;
• en waarom pas werd ingegrepen toen economische schade onvermijdelijk was.
Handhaving zonder regie ondermijnt vertrouwen, schaadt investeringen én raakt uiteindelijk het algemeen belang. Een rechtsstaat wordt niet sterker door plotselinge strengheid, maar door voorspelbaar, tijdig en verantwoordelijk bestuur.





