
Tijdens het Nationaal Congres Modernisering Rechterlijke Macht heeft advocaat Serena Essed een uitvoerig betoog gehouden over de inrichting van een derde instantie in Suriname. Ze sprak namens de Surinaamse Orde van Advocaten (SOVA). Essed stelde daarbij dat de noodzaak van een derde instantie niet ter discussie staat, maar dat de kernvraag is hoe deze het beste kan worden ingericht: via een Surinaamse Hoge Raad of door aansluiting bij de Caribbean Court of Justice (CCJ).
Essed benadrukte dat de discussie verder gaat dan een technische of institutionele keuze. Volgens haar raakt de beslissing direct aan de toekomst van de Surinaamse rechtspraak en moet het einddoel altijd zijn: deskundige, onafhankelijke, onpartijdige én tijdige rechtspraak. Vooral de snelheid van procedures vormt volgens haar momenteel de grootste kwetsbaarheid van het rechtssysteem, als gevolg van structurele onderbezetting.
In een historisch overzicht schetste Essed hoe de rechterlijke macht rond 2003 in zwaar weer verkeerde, met extreem lange doorlooptijden en een schrijnend gebrek aan middelen. Door ingrijpende interne hervormingen is de situatie sindsdien verbeterd en zijn de doorlooptijden gehalveerd. Die vooruitgang mag volgens haar niet in gevaar worden gebracht door overhaaste hervormingen.
Met betrekking tot de optie van een Surinaamse Hoge Raad waarschuwde Essed voor serieuze risico’s. Een derde instantie zou onvermijdelijk moeten worden bemenst met de meest ervaren rechters uit de eerste en tweede aanleg, terwijl Suriname nu slechts 31 rechters telt. Zelfs met lopende opleidingen zal het aantal rechters in de komende jaren naar verwachting uitkomen op circa 45 tot 50, terwijl de structurele behoefte rond de 90 ligt. Dat tekort kan volgens haar leiden tot verdere vertragingen in de rechtspraak. Daarnaast wees zij op de hoge en structurele kosten van een nationale Hoge Raad, waaronder huisvesting, personeel, beveiliging en ICT.
Essed verwees naar ervaringen in andere landen, zoals Jamaica, waar is geconcludeerd dat een nationale derde instantie momenteel niet haalbaar is vanwege capaciteits- en financieringsproblemen. Volgens haar is aansluiting bij een externe derde instantie daarom geen teken van onvermogen, maar een verantwoorde keuze in het belang van rechtzoekenden.
Over de CCJ als alternatief stelde Essed dat de Surinaamse Orde van Advocaten vier harde randvoorwaarden hanteert: rechtspraak binnen een civil law-kader, het Nederlands als procestaal, goede toegankelijkheid en financiële duurzaamheid. Op basis van recente gesprekken met de CCJ gaf zij aan dat aan deze voorwaarden kan worden voldaan. Zo zou binnen de CCJ een speciale Suriname-kamer worden ingericht met civil law-rechters, zittingen in Suriname en procedures in het Nederlands. Ook zouden de kosten beperkt blijven doordat de CCJ werkt met een bestaande, financieel stabiele truststructuur.
In haar conclusie stelde Essed dat het onzeker is of Suriname op korte of middellange termijn kan voldoen aan de randvoorwaarden voor een eigen Hoge Raad, terwijl de CCJ deze wel kan invullen. Zij benadrukte dat de uiteindelijke keuze moet worden gemaakt in het belang van het Surinaamse volk en met het oog op het behoud en de versterking van de bestaande rechtspraak. De Orde van Advocaten zal de ontvangen informatie nog voorleggen aan haar leden voordat een definitief standpunt wordt ingenomen.





