
De Centrale Bank van Suriname (CBvS) heeft een bekendmaking uitgebracht over de verplichte afdracht van exportopbrengsten (de zogeheten rententiemiddelen). Hoewel de maatregel ongetwijfeld goed bedoeld is om de economie te reguleren, is de kans groot dat het land hierdoor juist méér zal verliezen dan men denkt.
De maatregel roept fundamentele vragen op over rechtsgelijkheid, marktwerking en economische nevenschade.
1. Schending van het gelijkheidsbeginsel
De regeling roept direct vragen op over eerlijke concurrentie. Grote multinationals zoals Zijin en Newmont hoeven deze exportgelden niet af te dragen, terwijl de maatregel wél verplicht is voor lokale exporteurs. Dit betekent dat de huidige regering het gelijkheidsbeginsel niet in acht neemt, wat lokale ondernemers onnodig op achterstand zet.
2. Achterhaalde en subjectieve wisselkoersen
De CBvS bepaalt de wisselkoers voor de verplichte omzetting naar SRD. De bank publiceert driemaal per dag de koersen, maar deze zijn in de praktijk niet real-time en vaak achterhaald.
Oorzaak: De koersen vallen meestal lager uit, omdat niet alle partijen die de data voor deze gemiddelde berekening aanleveren, dit objectief doen.
3. Verschuiving naar de zwarte markt en illegaliteit
Lokale exporteurs kunnen de verliezen die ontstaan bij deze ongunstige koersomzetting niet zelf dragen. Zij zullen deze kosten moeten doorberekenen aan de goudzoekers (porknokkers).
Het onvermijdelijke gevolg hiervan is dat het aanbod verschuift naar:
• De zwarte markt
• Illegaliteit
• Smokkel
Conclusie: Inmenging in de vrije markt
Deze maatregel is een directe en schadelijke inmenging in de vrije handel, waar vraag en aanbod zichzelf horen te reguleren. De verplichte afdracht is ingevoerd zonder oog voor de realiteit en zal de overheid uiteindelijk juist in de eigen vingers snijden. Het is dan ook niet zonder reden dat het IMF fel gekant was tegen deze maatregelen. Helaas lijkt het beleid nu te worden bepaald door een gebrek aan economisch inzicht.





