sunnews_logoSURINAME U-NEWS
NIEUWS
India eist rechtmatige aandeel Induswater op
buitenland/Trending Berichten/Published on: woensdag 15 juli 2026, 10:13 AM
SHARE
India eist rechtmatige aandeel Induswater op

De uitspraak van de Indiase premier tijdens de viering van de Onafhankelijkheidsdag vorig jaar – "Water waarop India recht heeft, moet ten goede komen aan de Indiase boeren" – markeert een belangrijke koerswijziging in India's benadering van het beheer van de Indusrivieren. Het gaat daarbij niet om een breuk met het verleden, maar om een noodzakelijke correctie van een beleid dat India jarenlang onevenredig heeft benadeeld en tegelijkertijd ruimte liet voor inefficiënt gebruik van water stroomafwaarts. De boodschap is duidelijk: India zal niet langer toestaan dat water waarop het recht heeft ongebruikt verloren gaat, terwijl de eigen bevolking en landbouw met waterschaarste kampen.

 

Bij de ondertekening van het Induswaterverdrag in 1960 stemde India als bovenstrooms gelegen land ermee in slechts ongeveer twintig procent van het water uit het Indusstroomgebied te benutten, terwijl tachtig procent werd toegewezen aan Pakistan. Volgens de auteur was dit een uitzonderlijk gebaar van goede wil, in de verwachting dat daar wederzijds vertrouwen en samenwerking tegenover zouden staan. Die wederkerigheid is volgens hem echter nooit tot stand gekomen.

 

De recente uitspraken van de premier moeten volgens Jain ook worden gezien tegen de achtergrond van herhaalde terroristische aanslagen die vanuit Pakistan zouden zijn gepleegd. Incidenten zoals de aanslag in Pulwama en andere aanvallen in Kashmir, waaronder in de regio Pahalgam, hebben volgens hem het wederzijdse vertrouwen ernstig ondermijnd. De veelgehoorde uitspraak "bloed en water kunnen niet samenstromen" is daarmee volgens de auteur meer geworden dan slechts een politieke leus. Hij stelt dat geen enkel internationaal verdrag duurzaam kan functioneren wanneer het onderlinge vertrouwen volledig is verdwenen.

 

Daarnaast wijst Jain op wat hij beschouwt als structurele onevenwichtigheden in het Induswaterverdrag. Volgens hem legt het verdrag India aanzienlijke beperkingen op bij het gebruik van zijn toegewezen water, terwijl Pakistan niet wordt verplicht om efficiënt met zijn watervoorraden om te gaan of de eigen waterbehoefte te verantwoorden. Hij stelt dat grote verliezen in irrigatiesystemen, beperkte opslagcapaciteit en inefficiënt waterbeheer ertoe leiden dat jaarlijks aanzienlijke hoeveelheden water ongebruikt in de Arabische Zee terechtkomen.

 

Tegelijkertijd, zo betoogt hij, hebben Indiase deelstaten zoals Rajasthan en Haryana nog altijd te maken met ernstige waterschaarste, terwijl zij volgens hem aanspraak kunnen maken op water dat India op grond van het verdrag toekomt. Volgens de auteur is dat precies de scheefgroei die met het principe van "Haq Ka Pani" moet worden rechtgezet.

 

Volgens Jain draait "Haq Ka Pani" niet om het onthouden van water aan Pakistan, maar om het optimaal benutten van India's rechtmatige aandeel. Het doel is om iedere beschikbare druppel in te zetten voor irrigatie, waterkracht en economische ontwikkeling.

 

Hij verwijst daarbij ook naar Indiase waterprojecten aan de westelijke rivieren, waaronder de Baglihar- en Salal-dammen. Door jarenlange sedimentatie is de opslagcapaciteit van deze dammen afgenomen. Noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden, zoals het verwijderen van slib, zouden volgens hem jarenlang zijn vertraagd door bezwaren en procedures vanuit Pakistan. In de toekomst wil India dergelijke technische werkzaamheden tijdig uitvoeren op basis van wetenschappelijke inzichten en internationale best practices, zonder dat politieke discussies deze processen blijven vertragen.

 

Atul Jain, voormalig voorzitter van de Central Water Commission